|
De heer B. was een paar jaar voor zijn overlijden voor de derde
keer getrouwd, dit maal met een veel jongere vrouw. Op zijn sterfbed
in Spanje bedacht hij echter nog dat hij geen testament had, en het
voor hem wel erg moeilijk was om nu nog door een Spaanse notaris een
testament op te laten stellen, temeer hij de Spaanse taal niet
voldoende machtig was. Hij meende te herinneren dat volgens de wet
zijn echtgenote alle goederen zou krijgen en zijn enige zoon pas na
het overlijden van haar datgene wat over was zou ontvangen. Zij
scheelden echter amper tien jaar; op die manier zou hij zijn zoon
sterk benadelen. Bovendien was de relatie tussen zijn zoon en
echtgenote niet echt geweldig. Dus besloot hij in de laatste dagen
voor zijn overlijden het huis voor 200.000 euro aan zijn zoon te
verkopen en de vordering kwijt te schelden. Aldus werden er enige
dingen op een papiertje vastgelegd en door vader en zoon ondertekend.
Na zijn overlijden kwamen de problemen pas tevoorschijn. De
authenticiteit van het contract was moeilijk vast te stellen: de ene
partij was belanghebbende en de andere was overleden. Het contract
was geen overtuigend bewijs. Nadat uiteindelijk toch de echtheid was
vastgesteld, bleek dat de levering van de woning bij de notaris
moest worden gedaan door de erfgenamen van de heer B, oftewel; de
medewerking van de stiefmoeder was vereist om de overdracht te
voltooien. Als zij die zou weigeren, dan zou de rechter moeten
beslissen. Dan kan gemakkelijk 5 jaar duren in Spanje, en het valt
nog maar te bezien welke beslissing de rechter zou nemen. De zoon
van de heer B. was gedwongen om met zijn stiefmoeder te
onderhandelen om het huis op zijn naam te krijgen. Een situatie die
de heer B. absoluut had willen vermijden.
Een bijkomend probleem was dat de verkoopopbrengst van een goed dat
op korte termijn voor overlijden door de overledene aan een
erfgenaam is verkocht, geacht wordt nog deel uit te maken van de
nalatenschap. Over een geldbedrag kunnen nauwelijks kortingen worden
verkregen. Als gevolg daarvan moest de zoon nog een bedrag van
25.000 euro aan erfbelasting in Spanje betalen. Als de zoon het huis
zou hebben geërfd, zouden er voldoende mogelijkheden voor een
nagenoeg volledige belastingvrijstelling in Spanje zijn geweest.
Weggegooid geld dus.
Wat was er misgegaan?
De heer B. Had tijdig moeten bedenken welke de beste oplossing was
voor zijn situatie en had dit in een testament vast moeten leggen.
Zo had hij zijn echtgenote bijvoorbeeld een vruchtgebruik van een
aantal jaar kunnen geven, plus een geldbedrag en/of overige goederen.
Er zijn heel veel mogelijkheden. Een beslissing op het laatste
moment is meestal niet de juiste. Als men niet voldoende kennis
heeft over de gevolgen van een bepaalde actie, dan kan deze
averechts uitpakken.
Ook was de heer B. uitgegaan van de situatie dat alle goederen voor
zijn echtgenote waren, zonder zich te informeren of dat in zijn
situatie wel het geval was. Op de nalatenschap van een Nederlander,
die langer dan vijf jaar in Spanje woont en die zonder het maken van
een testament overlijdt, is het Spaanse erfrecht van toepassing, dat
juist de positie van de kinderen beschermt. Maar ook in de situatie
dat het Nederlandse erfrecht van toepassing is, is het nog maar de
vraag in hoeverre de rechten van de derde echtgenote van de heer B.
boven die van zijn zoon staan als er geen testament is.
Conclusie:
Men moet tijdig nadenken over de manier waarop men wil dat zijn
nalatenschap verdeeld wordt en dit in een testament vastleggen.
Altijd is dit van belang, maar met name in familiesituaties met een
tweede huwelijk en met kinderen uit een vorige relatie en in het
geval van samenwonenden is het fundamenteel dat er niets aan de
willekeur van de Spaanse of Nederlandse wetgeving wordt overgelaten.
De wet regelt de zaken in het algemeen, en misschien
|


 |